Ben Naafs | dermatoloog

‘Begin jaren zeventig werkte ik op het fysiologisch lab in Utrecht. Ik was wetenschappelijk hoofdmedewerker, zo ongeveer de jongste van Nederland. Maar ik had altijd al naar de tropen gewild.’

Dokter Leiker

‘Dienst over Grenzen raadde me aan om eens met dokter Leiker te gaan praten. Leiker was dé grote leproloog in Nederland en medeoprichter van de Nederlandse Stichting voor Leprabestrijding. Hij zag wel wat in mij. Maar ik wist helemaal niets van lepra. Leiker zei: “Dan blijf je eerst drie maanden bij mij, en daarna ga je naar Ethiopië om opgeleid te worden.” In Ethiopië bevond zich een trainingscentrum: Leprosy Rehabilitation (nu: ALERT[N1] ). Dat was toen het grootste en belangrijkste ter wereld. Het had ook een van de allereerste[N2] immunologische laboratoria. Van over de hele wereld kwamen immunologen daarnaartoe, want men beschouwde lepra als een geweldig model om de immunologie te bestuderen. Iedereen die voor NSL uitging, werd eerst opgeleid in Ethiopië. Wij waren de eersten.

‘Bij ALERT ben ik vanaf 1974 opgeleid tot leproloog, chirurg en dermatoloog. Ik zag elke dag patiënten en deed onderzoek naar zenuwbeschadiging, met name op het gebied van immunologische verschuivingen in de leprapatiënt. Ik werd hoofd research, en Ike, mijn vrouw, heeft in de vijf jaar dat wij daar waren het rehabilitatiecentrum intact gehouden. Ondanks de revolutie. Het is nog steeds intact, nu volledig gerund door Ethiopiërs.’ 

Blank en blanco

‘Toen wij daar zes weken waren, begon de revolutie. Het eerste wat we deden was een lijstje maken van wat we mee wilden nemen indien we halsoverkop weg zouden moeten. Wij waren blank en blanco, wisten niets van Ethiopië. We hadden een cursus gedaan aan het Tropeninstituut en gingen gewoon, met een klein kind en een baby. Je begint met een gewoon land, en binnen zes weken is de keizer afgezet. Je groeit daarin mee. Dat er ’s ochtends lijken aan de kant van de weg liggen, daar wen je aan.’

Paardenliefde 

‘Ik wilde de dingen die de bevolking deed wel meemaken. Samen met een collega ben ik een keer op een groot paardenfestival geweest. Er waren drieduizend ruiters met speren, en de bedoeling was dat je iemand uitdaagde. Dan moest je over twee mijl in volle vaart met een stompe speer je tegenstander in de zij raken. Aan het einde plasten de moedigste jongens bloed. Ik heb ook meegedaan, maar volgens mij gooiden ze bij mij expres mis. Het nieuwe regime vond paardrijden een kapitalistische sport, dus dat mocht niet meer. Maar ik ging altijd met alle trainees rijden.’

Claus en Pronk

‘De eerste groep die echt wegging, na de mensen die in Indonesië en Papoea-Nieuw Guinea hadden gezeten, waren de mensen die naar Afrika gingen. Toen die eind jaren zeventig terugkwamen, wilden iedereen verschillende specialisaties doen – die waren allemaal nodig in de tropen. Prins Claus, die toen adviseur van het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking was, onderschreef dit. Ik heb een paar keer met hem mogen spreken; die man had er verstand van! Wij vestigden ons met het gezin in Edam, zodat ik me kon specialiseren tot dermatoloog. Maar Pronk, de minister van Ontwikkelingssamenwerking, zei dat het ons tropenartsen niet om het idealisme ging, maar om het geld. Bovendien waren er in ontwikkelingslanden helemaal “geen specialisaties nodig”. Pronk was nog helemaal van het “barefoot doctor”-idee. Omdat er vanuit de overheid niet werd gefinancierd, moesten we op zoek naar een alternatief.’ 

Zimbabwe

‘In Italië werd toen heel veel Europees leprawerk gedaan. Ik kende die Italianen. Ze boden mij een baan aan als hoofd lepra en dermatologie binnen het ministerie van Volksgezondheid in Zimbabwe. In 1983 zijn we met het hele gezin overgegaan naar Harare. Er was toen nog heel veel geld om in projecten te steken en je kon veel “feestjes” geven. Het werk was moeilijk. Ik gaf les, zag patiënten, ging het hele land door. Het vervelende is dat je daar heel snel aan went; je gaat heel erg je eigen leven leiden. Na drie jaar zijn we met de auto teruggereden naar Nederland. Die drie maanden met het hele gezin in een Landrover waren voor mij heel belangrijk, want doordat ik zoveel van huis was geweest, had ik het gevoel het contact met mijn familie een beetje kwijt te zijn.’

Kennisoverdracht

‘In zijn boek De Zahirspreekt Coelho over de Bank der Wederdiensten: het hele leven is geven en nemen, en je kan alleen maar nemen als je gegeven hebt, want dan heb je krediet opgebouwd. Toen ik in 1972 lid werd van de NVTG, was dat omdat ik de ervaringen van andere leden wilde horen en ervan wilde leren. Pas later dacht ik aan omgekeerde zaken; dat ikzelf iets aan het netwerk moest geven. Toen heb ik de werkgroep Tropische Dermatologie opgericht, die uiteindelijk voornamelijk een werkgroep binnen de Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venerologie is geworden. 

‘Ik heb altijd lesgegeven, al op het fysiologisch lab in Utrecht. In Nederland heb ik vijfentwintig jaar lesgegeven op de Tropencursus. In Ethiopië gaf ik voornamelijk in-servicetrainingen. Ook ben ik een paar keer in de gevangenis geweest, om de familie van Haile Selassie te onderwijzen in anatomie en fysiologie. De machthebbers vonden namelijk dat ze voor één keer iets voor de mensen moesten betekenen. Hoewel ze er meer misdadigers omheen hadden gezet, zag je zo wie de familieleden van Haile waren.’ 

Op eigen kosten

‘In 1999 ben ik ermee begonnen periodes van drie maanden werken in het buitenland af te wisselen met drie maanden thuis. Nog steeds geef ik als visiting professor cursussen en trainingen aan dokters en studenten dermatologie in Brazilië, Tanzania en Ethiopië. Ook houd ik wereldwijd voordrachten en spreek ik op congressen. De laatste twintig jaar bekostig ik dat allemaal zelf. Ik doe dit omdat ik moeite heb met ngo’s en internationale organisaties. Er blijft daar zoveel geld aan de strijkstok hangen. In de directies zitten managers die praten over dingen waar ze geen ervaring mee hebben. Ter vergelijking: in de top van Artsen zonder Grenzen zitten mensen die wél weten wat ze doen, want die hebben een medische achtergrond.’ 

Kennis wordt geschiedenis

‘Eind jaren tachtig werden mensen met lepra zéér snel gediagnosticeerd, door die zeventigerjarendokters. Maar als je nu lepra zou krijgen in Nederland, dan kun je anderhalf tot twee jaar wachten op de diagnose. Tegen die tijd ben je definitief beschadigd. Er is geen kennis meer. Dat komt doordat de overheid geen kansen meer biedt om naar de tropen te gaan en dingen te leren. Van de jongste generatie zijn er nog maar weinig die langdurig in de tropen werken. De kennis van de oude garde wordt zo steeds sneller geschiedenis.’